Tel de draagstenen bij tekening 3. Hoeveel zijn het er?
Antwoord: 8
Het is ruim 5000 jaar geleden. In Drenthe wonen boeren. Ze hebben koeien, schapen en akkers met graan. Gereedschap van metaal hebben ze niet. Schrijven kunnen ze ook niet.
Oma Berk, Tor en Lumi gaan een hunebed bouwen: een graf van enorme stenen, voor hun hele familie. Jij helpt vijf dagen mee.
Een hunebed heeft dekstenen: grote platte stenen bovenop. Die liggen op draagstenen die rechtop staan. Oma tekent drie plannen in het zand. Je kijkt er van bovenaf op.
Tel de draagstenen bij tekening 3. Hoeveel zijn het er?
Antwoord: 8
Het hunebed wordt langer. Hoeveel draagstenen heeft een hunebed met 4 dekstenen?
Tip: Hoeveel draagstenen komen erbij van tekening 1 naar 2? En van 2 naar 3?
Antwoord: 10
Elke deksteen erbij geeft 2 draagstenen erbij: 4, 6, 8, 10.
Oma droomt van een groot hunebed met 9 dekstenen. Hoeveel draagstenen heeft het?
Antwoord: 20
Hoeveel draagstenen heeft een hunebed met 10 dekstenen echt?
Antwoord: 22
Eén deksteen meer dan bij 9 dekstenen, dus 2 draagstenen meer: 20 + 2 = 22.
Leg aan Tor uit waarom het geen 40 draagstenen zijn.
Geen vast antwoord
Een uitleg als "bij 2 dekstenen zijn het er al geen 8" is voor groep 4 al sterk.
Hoeveel draagstenen heeft Lumi gevonden?
Antwoord: 13
Oma wil een hunebed met 5 dekstenen. Hoeveel van Lumi's draagstenen blijven er dan over?
Antwoord: 1
5 dekstenen vragen 12 draagstenen (4, 6, 8, 10, 12). 13 − 12 = 1.
Het grootste hunebed van de streek heeft 16 draagstenen. Hoeveel dekstenen heeft het?
Tip: Begin bij tekening 3 en tel verder tot je bij 16 draagstenen bent.
Antwoord: 7
8 draagstenen bij 3 dekstenen, dan 10, 12, 14, 16: nog 4 dekstenen erbij. 3 + 4 = 7.
Hoe oud is een hunebed eigenlijk? Op deze tijdlijn zie je het. Rechts is nu. Hoe verder naar links, hoe langer geleden.
Wat is het oudst?
A De hunebedden
B De piramides in Egypte
C De Romeinen in Nederland
Antwoord: A (De hunebedden)
Veel kinderen denken dat de piramides het oudst zijn. De hunebedden zijn ongeveer 800 jaar ouder.
Vandaag zoekt de familie keien in het veld. Die keien liggen daar al heel lang. Ze zijn in een ijstijd met het ijs meegekomen uit het noorden.
Er is geen weegschaal. Toch wil Oma weten hoe zwaar een kei is.
Op wip 1 zit Tor tegenover 5 vuistkeien. Die zijn even zwaar. Hoeveel kilo weegt één vuistkei?
Antwoord: 5 kilo
5 vuistkeien samen wegen 25 kilo, net als Tor. 5 + 5 + 5 + 5 + 5 = 25, dus één vuistkei is 5 kilo.
Op wip 2 zitten Oma, Tor en Lumi tegenover één grote kei, de zitkei. Hoeveel kilo weegt de zitkei?
Antwoord: 100 kilo
50 + 25 + 25 = 100 kilo.
Hoeveel kinderen uit jouw klas wegen samen ongeveer evenveel als de zitkei?
Antwoord: ongeveer 4 kinderen (goed: 3 tot en met 6)
Laat de leerling niet echt wegen en vraag niet naar het eigen gewicht. Tor is de maat.
Hoeveel zitkeien passen er in de grote kei?
Tip: Bouw het met blokjes. Tel eerst de onderste laag.
Antwoord: 8
Onderste laag 2 × 2 = 4 blokken, en daarop nog zo'n laag: 4 + 4 = 8.
Hoeveel kilo weegt de grote kei?
Antwoord: 800 kilo
8 zitkeien van 100 kilo: 800 kilo. Tor dacht 200.
Hieronder zie je een deksteen van opzij. Hij is overal één blok dik. Elk hokje is zo groot als een zitkei. Er staan hele hokjes in de steen, maar ook stukjes van hokjes.
Hoeveel trekkers zijn er ongeveer nodig voor deze deksteen?
Tip: Tel eerst de hele hokjes. Neem dan steeds twee stukjes samen als één hokje.
Antwoord: ongeveer 19 trekkers (goed: 14 tot en met 26)
De keien moeten naar de heuvel waar het hunebed komt. Ze gaan op een houten slee. Onder de slee liggen rollen: stukken boomstam. Rolt de slee van een rol af, dan legt iemand die rol weer vooraan.
Wie draagt wat, en wie loopt waar in de rij? Vul het rooster in.
Tip: Begin met aanwijzing 1 en 2. Dan weet je al wat er voorop, in het midden en achteraan gaat.
Antwoord: Oma: touw, midden · Tor: rollen, achteraan · Lumi: water, voorop
Antwoord: Oma: touw, midden · Tor: rollen, achteraan · Lumi: water, voorop
Hoeveel kilo weegt de kei met de 6 erop?
Antwoord: 600 kilo
6 trekkers, dus 6 zitkeien van 100 kilo: 600 kilo.
Hoeveel trekkers zijn er nodig voor de twee zwaarste keien samen?
Antwoord: 15
8 + 7 = 15.
Verdeel de zes keien over de drie sleeën. Schrijf bij elke slee welke twee keien erop gaan.
Tip: Begin met de zwaarste kei. Welke kei past daar nog bij?
Geen vast antwoord
3 en 8, 4 en 7, 5 en 6: elke slee 11. De volgorde van de sleeën en van de keien op een slee maakt niet uit.
Welke kei gaat samen met de kei van 3 op de slee?
Antwoord: 8
Hoeveel trekkers trekken er samen aan de drie sleeën?
Antwoord: 33 trekkers
11 + 11 + 11 = 33. Of alle keien opgeteld: 3 + 4 + 5 + 6 + 7 + 8 = 33.
De draagstenen staan rechtop. Tussen de stenen zitten gaten. De familie vult die gaten met platte stenen, netjes op elkaar. Zo'n muurtje heet een stapelmuur.
Je weet de bovenste steen al. Welke getallen ontbreken?
Tip: Welk getal moet je bij 20 optellen om 45 te krijgen?
Antwoord: 25 · 8 · 13
Antwoord: 25 · 8 · 13
Vind het getal voor de middelste steen onderaan. Vul daarna de hele muur in.
Tip: Probeer een getal. Wordt de top te groot? Probeer dan een kleiner getal.
Antwoord: 13 · 17 · 9
Antwoord: 13 · 17 · 9
De middelste steen telt dubbel mee. Wie dat ziet, rekent 30 − 4 − 8 = 18 en neemt daarvan de helft. Mooi, maar niet nodig.
Vul de hoge muur in.
Tip: Begin bij de 30: welk getal hoort naast de 15?
Antwoord: 15 · 8 · 8 · 5 · 2
Antwoord: 15 · 8 · 8 · 5 · 2
Laat de leerling van onder naar boven nagaan. 3 + 5 = 8, 5 + 2 = 7, 2 + 6 = 8, enzovoort.
Leg 1, 2 en 3 onderaan, in de volgorde die jij wilt. Wat is de grootste top die je kunt maken?
Tip: Probeer alle volgordes op kladpapier.
Antwoord: 9
Welke steen moet in het midden liggen voor de grootste top?
A De 1
B De 2
C De 3
Antwoord: C (De 3)
Waarom moet de grootste steen in het midden? Leg het uit.
Geen vast antwoord
Mooi als de leerling het laat zien: top = links + midden + midden + rechts.
Het hunebed is klaar! In het graf zet de familie potten met eten, als cadeau voor wie er begraven ligt. Oma maakt de potten van klei. Met haar nagel en een stokje drukt ze er versieringen in.
Wat staat er op plek 19?
Tip: Op welke plekken staan de stippen? Tel steeds 3 verder.
A
B
Antwoord: A (
Stippen staan op 1, 4, 7, 10, 13, 16, 19.
Hoeveel stippen staan er op de eerste 20 plekken?
Antwoord: 7
1, 4, 7, 10, 13, 16, 19: zeven stippen.
Heeft Tor gelijk?
A Ja, 10 stippen en 20 strepen
B Nee, het zijn andere aantallen
Antwoord: A (Ja, 10 stippen en 20 strepen)
Ja. Elk groepje van 3 figuren heeft 1 stip en 2 strepen. 30 figuren zijn 10 groepjes.
Op welke plek staat er voor het eerst een stip op allebei de banden?
Tip: Schrijf de plekken met een stip op. Rand: 2, 4, 6, ... Buik: 3, 6, ...
Antwoord: 6
Op hoeveel plekken van 1 tot en met 30 staat er op allebei de banden een stip?
Antwoord: 5
Op 6, 12, 18, 24 en 30: om de 6 plekken.
Oma maakt nog een patroon:
Wat staat er op plek 23?
Tip: Hoeveel figuren zitten er in één groepje? Waar begint het groepje vóór plek 23?
A
B
C
Antwoord: B (
Een groepje is 4 figuren. Plek 21 begint een nieuw groepje (na 5 × 4 = 20): 21 stip, 22 streep, 23 streep.
Teken een pot met een eigen patroon dat steeds terugkomt. Schrijf erbij wat er op plek 20 staat.
Tip: Gebruik minstens twee soorten figuren.
Geen vast antwoord
Dat klopt! In Drenthe staan nog 52 hunebedden, in Groningen 2. Archeologen vonden er scherven van potten met patronen, net als die van Oma. Zo weten we nu hoe de hunebedbouwers leefden.