Ik heb een lange snavel. Ik sta op één poot in het water. Ik eet kikkers en vissen. Wie ben ik?
Antwoord: reiger
Ik vond het in het gras bij de sloot: een oud schrift met een elastiek erom. De kaft was een beetje nat. Op de voorkant stond: Slootschrift van Opa Snoek.
Ik heb het gelezen, maar ik kon niet alles oplossen. Daarom geef ik het aan jou.
Ik heb een lange snavel. Ik sta op één poot in het water. Ik eet kikkers en vissen. Wie ben ik?
Antwoord: reiger
Ik heb vier vleugels die glimmen in de zon. Ik vlieg heel snel heen en weer boven het water. Wie ben ik?
Antwoord: libel / libelle / waterjuffer
Ook "waterjuffer" is goed. Het is een familielid van de libel, en het past bij alle aanwijzingen.
Opa schreef een raadsel over de eend, maar de zinnen staan door elkaar. Zet ze op volgorde, van vaag naar precies.
A Ik kan zwemmen en vliegen.
B Ik heb twee poten.
C Ik zeg: kwak!
D Ik heb zwemvliezen aan mijn poten.
Antwoord: B › A › D › C (ook goed: A › B › D › C; B › D › A › C)
De eerste zin past bij heel veel dieren, de laatste maar bij één. Zin 1 en 2, en zin 2 en 3, mogen ook omgedraaid.
Ik kan vliegen én zwemmen. Ik heb zes poten. Wie ben ik?
Antwoord: schrijvertje
Vliegen en zwemmen kunnen de eend en het schrijvertje. Zes poten heeft alleen het schrijvertje.
Ik kan niet vliegen. Ik heb meer poten dan een kikker. Wie ben ik?
Antwoord: waterspin
Meer dan 4 poten hebben de libel, het schrijvertje en de waterspin. Daarvan kan alleen de waterspin niet vliegen.
Ik heb vier poten. Ik kan zwemmen, maar niet vliegen. Wie ben ik?
A De kikker
B De watersalamander
C Dat kun je nog niet zeker weten
Antwoord: C (Dat kun je nog niet zeker weten)
Beide dieren passen bij alle drie de aanwijzingen. Dit is de kern van het deel. Een raadsel met twee antwoorden is nog niet af.
Schrijf één aanwijzing erbij, zodat het raadsel maar één antwoord heeft. Het antwoord moet de kikker worden.
Geen vast antwoord
Bijvoorbeeld: "Ik heb geen staart", "Ik kwaak" of "Ik kan ver springen". "Ik ben groen" werkt niet: er zijn ook groene salamanders, en niet elke kikker is groen.
Ik lijk op een kikker, maar mijn huid is bobbelig. Je kunt ook over mij naar de sloot lopen. Wie ben ik?
Antwoord: pad
Een pad (het dier) en een pad (een smalle weg).
Ik ben een platte vis. Maar ik zit ook in jouw arm. Wat ben ik?
Antwoord: bot
Een bot is een platte vis, en een bot zit in je lichaam.
Ik zoem van bloem naar bloem. Maar ik pas ook in deze zin: Opa woont ... de sloot. Wat ben ik?
Antwoord: bij
De bij (het insect) en bij (vlak naast). Het tweede woord is geen ding maar een klein woordje. Dat is extra lastig.
Schrijf zelf een raadsel over een dier uit de sloot. Begin vaag en eindig precies. Schrijf het antwoord er niet bij! Laat een klasgenoot raden.
Geen vast antwoord
Laat de klasgenoot het raadsel echt raden. Raadt die een ander dier dat ook past? Dan mist er een aanwijzing, en dat is een mooi leermoment.
Welk dier staat hier? 5 5 14 4
Antwoord: eend
E = 5, E = 5, N = 14, D = 4.
Ontcijfer het briefje op kladpapier. Waar moet je naartoe? Schrijf het laatste woord op.
Antwoord: riet
KOM BIJ HET RIET. BIJ is 2 9 10: de IJ is in de code twee letters.
In het briefje staat BIJ als 2 9 10. Hoe schrijf je IJS in de cijfercode?
A 9 10 19
B 25 19
C 10 19
Antwoord: A (9 10 19)
Ik probeerde het. Ik schoof elke letter één verder en kreeg UNQQV. Hè? Dat is geen woord!
Wat deed ik verkeerd?
A Ik schoof een letter verder, maar ik moest een letter terug.
B Ik las het woord achterstevoren.
C Ik gebruikte de cijfercode.
Antwoord: A (Ik schoof een letter verder, maar ik moest een letter terug.)
Opa schoof één verder om te coderen. Om te ontcijferen doe je het omgekeerde, één terug.
Welk woord schreef Opa?
Antwoord: sloot
T wordt S, M wordt L, P wordt O, P wordt O, U wordt T.
Schrijf het woord VIS in de schuifcode. Schuif elke letter één verder.
Antwoord: wjt
Wat is het verschil tussen
A
B
C Er is geen verschil
Antwoord: A (
Welke vogel zag Opa?
Tip: Let op de twee eerste tekens. Samen zijn ze één klank.
Antwoord: ijsvogel
I, J, S, V, O, G, E, L. De ijsvogel is een kleine blauw-oranje vogel die naar visjes duikt.
Ontcijfer het geheim. Wat moet je zoeken?
Antwoord: kikkerdril
ZOEK DE KIKKERDRIL. Dit leidt naar het volgende deel.
Schrijf het woord SLOOT in hekjesschrift.
Geen vast antwoord
Goed is:
Schrijf een geheim briefje voor een klasgenoot. Kies een van de drie codes. Kan je klasgenoot het ontcijferen?
Geen vast antwoord
Ik ging naar de sloot en zocht de kikkerdril. Ik vond hem! En in het schrift vond ik de bladzijde met de titel Woordladders.
Van POOT naar BOOM in twee stappen: POOT, ..., BOOM. Welk woord staat in het midden?
Antwoord: boot
POOM is geen woord, dus BOOT is de enige weg.
Van BEK naar BAD: BEK, ..., BAD. Welk woord staat in het midden?
Antwoord: bak / bed
BAK en BED zijn allebei goed. Vraag of de leerling allebei de manieren vindt.
Ik dacht dat het sneller kon. Van BEK naar BAD in één stap!
Mag dat?
A Ja, want BAD is een echt woord.
B Nee, want er veranderen twee letters.
Antwoord: B (Nee, want er veranderen twee letters.)
Zet deze woordladder op volgorde. Begin bij VIS.
A MES
B MOS
C VIS
D VOS
Antwoord: C › D › B › A
VIS, VOS (i wordt o), MOS (v wordt m), MES (o wordt e). Er is maar één volgorde, want van VIS kun je alleen naar VOS.
Maak zelf een woordladder van minstens drie stappen. Schrijf elke stap op een eigen regel.
Geen vast antwoord
Korte woorden van drie of vier letters werken het best. Wie het makkelijk vindt, kiest een begin- en eindwoord en zoekt de weg ertussen.
Je mag elk eerste stuk combineren met elk tweede stuk.
Maak zoveel mogelijk echte woorden met een eerste stuk en een tweede stuk uit de tabel.
Geen vast antwoord
Bijvoorbeeld: waterlelie, waterslak, waterkant, kikkerdril, visnet, slootkant. Verzonnen woorden horen bij het fantasiedier.
Welk van deze twee woorden is een vogel?
A rietvogel
B vogelriet
Antwoord: A (rietvogel)
Het laatste stuk zegt wat het is. Een rietvogel is een vogel die in het riet leeft. Vogelriet zou riet zijn.
Een kikkervis zou een vis zijn. Wat zou een viskikker zijn?
Antwoord: kikker / een kikker
Plak twee slootdieren aan elkaar, bijvoorbeeld een snoek en een slak. Zo krijg je een snoekslak! Teken jouw nieuwe slootdier.
Geen vast antwoord
Hoe heet jouw dier? Wat kan het? Schrijf twee of drie zinnen voor in het slootschrift.
Geen vast antwoord
Achterin het schrift zat een losse bladzijde. Er stonden allemaal dieren op, door elkaar. Daarboven stond Mijn slootregister.
Sorteer Opa's dieren. Schrijf elke letter op de goede plek in het schema.
Tip: Een libellenlarve is een jonge libel. Hij woont nog onder water en heeft nog geen vleugels.
Antwoord: Kan vliegen en Heeft zes poten: A, D, H · alleen Kan vliegen: B, G · alleen Heeft zes poten: E · geen van beide: C, F, I
Alle dieren met zes poten zijn insecten. Welk dier lijkt op een insect, maar is het niet?
A mug
B waterspin
C schrijvertje
D libellenlarve
Antwoord: B (waterspin)
Spinnen hebben acht poten en zijn geen insecten. De libellenlarve is wel een insect, ook al kan hij nog niet vliegen.
Los de kruiswoordpuzzel op. Schrijf de woorden in de vakjes op je antwoordblad, één letter per vakje.
Tip: Begin met het woord dat je het zekerst weet. Gebruik de letters die al in de vakjes staan.
Antwoord: Horizontaal: 1 SLAK, 3 SNOEK, 5 REIGER, 6 EEND · Verticaal: 2 KIKKER, 4 LIBEL, 5 RIET · (STIL)
Elk goed woord is een punt. Woorden die kruisen helpen elkaar; wie vastloopt, kan beginnen met KIKKER of EEND.
Lees de grijze vakjes in de volgorde van de kleine nummers. Welk woord staat er?
Antwoord: stil
S (van SNOEK), T (van RIET), I (van KIKKER), L (van LIBEL): STIL.
Maak zelf een kleine kruiswoordpuzzel van minstens drie woorden die elkaar kruisen. Teken de vakjes op het rooster. Zet een klein nummer in het eerste vakje van elk woord.
Geen vast antwoord
Laat de leerling eerst de woorden kiezen en zoeken welke letters ze delen. Een woordenlijst van de sloot helpt. Pas daarna tekenen.
Schrijf bij elk nummer een aanwijzing. Laat een klasgenoot je puzzel oplossen!
Geen vast antwoord