Je betaalt 7 cent met zo weinig mogelijk munten. Hoeveel munten heb je nodig?
Antwoord: 2
Je betaalt 7 cent met zo weinig mogelijk munten. Hoeveel munten heb je nodig?
Antwoord: 2
Je betaalt 90 cent met zo weinig mogelijk munten. Hoeveel munten heb je nodig?
Antwoord: 3
Je betaalt 18 euro met zo weinig mogelijk munten en briefjes. Hoeveel heb je er nodig?
Antwoord: 4
Met hoeveel munten betaalt Noor 40 cent?
Antwoord: 2
Je betaalt 38 euro met zo weinig mogelijk munten en briefjes. Hoeveel heb je er nodig?
Tip: Begin met het grootste briefje dat past. Hoeveel moet je dan nog?
Antwoord: 5
Schrijf alle manieren op om 20 cent te betalen met munten van 10 cent en 5 cent.
Tip: Begin met zoveel mogelijk munten van 10 cent. Neem er dan steeds één minder.
Op hoeveel manieren kan Sam 20 cent betalen?
Antwoord: 3
Een kauwgombal kost 30 cent. Op hoeveel manieren kan Sam dat betalen met munten van 10 cent en 5 cent?
Antwoord: 4
Met 3, 2, 1 of 0 munten van 10 cent. De rest betaal je met munten van 5 cent.
Een dropveter kost 50 cent. Op hoeveel manieren kan Sam dat betalen met munten van 10 cent en 5 cent?
Antwoord: 6
Met 5, 4, 3, 2, 1 of 0 munten van 10 cent. Dat zijn 6 manieren.
Hoe weet je het aantal manieren voor 50 cent, zonder ze allemaal op te schrijven? Leg uit.
Geen vast antwoord
Hoeveel snoepjes kun je hoogstens kopen voor 10 euro?
Tip: Begin met het goedkoopste snoepje.
Antwoord: 4
1 + 2 + 3 + 4 = 10. Een vijfde snoepje kan niet meer: het goedkoopste dat over is, kost 5 euro.
Welke snoepjes koopt Noor dan?
A Lolly, drop, koek en chocoladereep
B Lolly, drop, koek en snoepketting
C Grote zak snoep en chocoladereep
D Lolly, drop en grote zak snoep
Antwoord: A (Lolly, drop, koek en chocoladereep)
Zoek alle manieren om precies 10 euro uit te geven. Van elk snoepje koop je er hoogstens één.
Tip: Begin met de grote zak snoep. Wat kun je er nog bij kopen voor 4 euro? Neem daarna de snoepketting als duurste.
Op hoeveel manieren kun je precies 10 euro uitgeven?
Antwoord: 5
Is dat een nieuwe manier?
A Ja, want hij begint met de koek.
B Nee, het zijn dezelfde snoepjes als drop, koek en snoepketting.
C Nee, want het is geen 10 euro.
Antwoord: B (Nee, het zijn dezelfde snoepjes als drop, koek en snoepketting.)
Sam heeft drie aanbiedingen op het bord geschreven. Nu mag je wel meer van hetzelfde kopen.
Hoeveel euro kosten 4 koeken als je ze los koopt?
Antwoord: 12 euro
3 + 3 + 3 + 3 = 12 euro. Met de aanbieding betaal je 10 euro, dus 2 euro minder.
Bij welke aanbieding bespaar je de meeste euro's?
Tip: Reken bij elke aanbieding uit wat je los zou betalen.
A Koeken
B Lolly's
C Chocoladerepen
D Ze zijn alle drie even voordelig
Antwoord: A (Koeken)
Noor wil 3 koeken. Wat kost het minst geld?
A 3 koeken los kopen
B De aanbieding van 4 koeken
C Het kost allebei evenveel
Antwoord: A (3 koeken los kopen)
3 koeken los kost 9 euro. De aanbieding kost 10 euro. Los is 1 euro goedkoper.
Sam zegt dat je met de aanbieding voor 1 euro meer een hele koek extra krijgt. Wat zou jij doen? Leg uit waarom.
Geen vast antwoord
Beide keuzes zijn goed, als de uitleg klopt. Sams zin "een aanbieding is altijd goedkoper" klopt in elk geval niet.
Een koek kost 3 euro. Je betaalt met een briefje van 10 euro
Antwoord: 7 euro
Een snoepslang kost 65 cent. Je betaalt met een munt van 1 euro
Tip: 1 euro is 100 cent. Tel op van 65 naar 70, en dan naar 100.
Antwoord: 35 cent
Van 65 naar 70 is 5 cent, van 70 naar 100 is 30 cent. Samen 35 cent.
Hoeveel moet Sam echt teruggeven?
Antwoord: 7 euro
Wat doet Sam fout?
A Hij telt 13 ook mee. Maar dat is wat de klant al betaald heeft.
B Hij moet bij 20 beginnen met tellen.
C Hij doet niets fout.
Antwoord: A (Hij telt 13 ook mee. Maar dat is wat de klant al betaald heeft.)
Sam geeft 35 cent terug, met zo weinig mogelijk munten. Hoeveel munten geeft hij?
Antwoord: 3
In Sams spaarpot zitten 4 munten. Samen is het 80 cent. Hij schudt de pot leeg en vindt er maar drie:
Welke munt is verdwenen?
A
B
C
D
Antwoord: B (
50 + 20 + 5 = 75 cent. Van 75 naar 80 is 5 cent.
Welke munten heeft Noor?
Tip: Zijn het 3 munten? Is het samen 70 cent? Bestaan die munten wel?
A 50 cent, 10 cent en 10 cent
B 20 cent, 20 cent en 20 cent
C 50 cent en 20 cent
D 20 cent, 20 cent en 30 cent
Antwoord: A (50 cent, 10 cent en 10 cent)
De feestwinkel. Van alles mag je er zoveel kopen als je wilt.
Maak een boodschappenlijst voor het feest. Geef niet meer uit dan 20 euro. Reken bij elke regel uit wat het samen kost, en zet onderaan het totaal.
Tip: Voor 4 kinderen koop je van snoep en drinken er steeds 4. Wat kost dat?
Er zijn veel goede plannen. Twee voorbeelden:
Hoeveel euro houd je over?
Geen vast antwoord. Het is 20 euro min het totaal van de boodschappenlijst. 0 euro is ook goed.
Maak zelf een geldpuzzel voor een klasgenoot. Bijvoorbeeld een verdwenen munt, een munten-raadsel, of op hoeveel manieren je iets kunt betalen. Schrijf of teken de puzzel hier.
Tip: Los je puzzel eerst zelf op. Is er maar één goed antwoord? Of wil je juist alle manieren laten zoeken?
Geen vast antwoord
Laat een klasgenoot de puzzel echt oplossen. Waren er meer antwoorden dan de maker dacht? Bespreek dat samen; dat is juist leerzaam.
Wat is het antwoord van jouw puzzel?
Geen vast antwoord
Controleer of het antwoord klopt met de puzzel.