Hoeveel jaar zit er tussen de Snoekclan en het bouwen van de hunebedden?
Antwoord: 5.000 jaar
Uitwerking
10.000 − 5.000 = 5.000 jaar.
Veelgemaakte fouten
- 15.000: telt de getallen op, omdat het om twee momenten in het verleden gaat.
Ongeveer 10.000 jaar geleden was de laatste ijstijd net voorbij. Er woonden al mensen in het gebied dat nu Nederland is. Ze hadden geen huizen, geen akkers en geen koeien. Ze leefden van wat ze vonden en vingen: jagers-verzamelaars.
Er zat toen nog veel water vast in het ijs op de polen. Tussen Nederland en Engeland lag land: Doggerland. Je kon er lopen.
Hoeveel jaar zit er tussen de Snoekclan en het bouwen van de hunebedden?
Antwoord: 5.000 jaar
10.000 − 5.000 = 5.000 jaar.
Een generatie is ongeveer 25 jaar. Hoeveel generaties geleden leefde de Snoekclan?
Tip: Hoeveel generaties passen er in 100 jaar?
Antwoord: 400 generaties
10.000 : 25 = 400. Handig: in 100 jaar passen 4 generaties, en 10.000 jaar is 100 keer 100 jaar.
Waarom kon je toen van Nederland naar Engeland lopen?
A Er zat veel water in het ijs, dus de zee was lager.
B Er lag een brug van stenen.
C De zee was het hele jaar bevroren.
Antwoord: A (Er zat veel water in het ijs, dus de zee was lager.)
De leerling leidt dit af uit de tekst. Toen het ijs smolt, steeg de zee en verdween Doggerland onder water.
Zet de letters op de goede plek op de tijdlijn op je antwoordblad.
A de Snoekclan
B Doggerland verdwijnt
C de eerste boeren
D de hunebedden
E de Romeinen
Antwoord: A: 10.000, B: 8.000, C: 7.000, D: 5.000, E: 2.000
Bij C is alles tussen 7.000 en 7.500 goed (ruim 7.000).
Archeologen zoeken het kamp van een clan van 10.000 jaar geleden, op droge zandgrond. Wat vinden ze het meest waarschijnlijk nog terug?
A Een mes van vuursteen
B Een mand van gevlochten twijgen
C Een jas van hertenleer
D Een zak gedroogde bessen
Antwoord: A (Een mes van vuursteen)
Steen vergaat niet. Twijgen, leer en bessen vergaan op droge grond binnen een paar jaar.
Daarom weten we veel over gereedschap van steen en bot, en weinig over kleren en manden. Wat we "zien" van de prehistorie is dus maar een deel.
Meet op de kaart hoe ver kamp B van de rivier ligt. Hoeveel kilometer is dat in het echt?
Tip: Meet van het midden van B naar het dichtstbijzijnde stuk rivier. Leg je liniaal dan langs de schaalstok.
Antwoord: 4 ± 0,5 km
Op de schaalstok 4 blokjes, dus 4 km (op ware grootte 4 cm). Tussen 3,5 en 4,5 km is goed.
Laat de leerling met de schaalstok meten, niet met centimeters. Dan klopt het ook als het boekje iets kleiner is geprint.
Je loopt 4 kilometer per uur. Hoe lang ben je bezig als je vanuit kamp B water gaat halen en weer terugloopt?
Antwoord: 2 uur
4 km heen en 4 km terug is 8 km. 8 km bij 4 km per uur is 2 uur.
Kamp C heeft weinig hout. Hoe ver is het in een rechte lijn van kamp C naar de dichtstbijzijnde boom van het bos?
Antwoord: 6 ± 0,5 km
Op de schaalstok ongeveer 6 blokjes, dus ongeveer 6 km. Tussen 5,5 en 6,5 km is goed.
En dan moet de clan ook nog over de rivier. Hout sjouwen is zwaarder dan water dragen.
Maak een beslismatrix. Geef elk kenmerk een gewicht (1, 2 of 3) en elke plek per kenmerk 0, 1 of 2 punten. Doe de punten keer het gewicht en tel op.
Een voorbeeld, met water zwaar (3) en de rest 2:
Welk kamp kies je?
A De rivieroever
B De zandheuvel
C Het meer bij de heide
Geen vast antwoord
Geen goed of fout antwoord. Kijk of de keuze past bij de matrix, of dat de leerling er bewust van afwijkt.
Leg uit waarom je dit kamp kiest. Wat is het grootste nadeel van jouw kamp, en wat doe je daaraan?
Geen vast antwoord
De clan heeft twaalf mensen: zes werkers, twee ouderen en vier kinderen. Elke dag zijn er 12 rantsoenen voedsel nodig: één per persoon. Wat je over hebt, gaat in de voorraad. Wat je tekort komt, haal je uit de voorraad.
Alle werkers en alle kinderen gaan verzamelen. Hoeveel rantsoenen hebben ze aan het eind van de dag?
Antwoord: 16 rantsoenen
Hoeveel rantsoenen gaan die dag naar de voorraad?
Antwoord: 4 rantsoenen
16 − 12 = 4. De ouderen en de kinderen eten ook mee.
Je kamp is A of C. Welk deel van de keren vangt een jachtgroep iets?
Antwoord: 1/2 (gelijkwaardige breuken goed)
Raak bij 4, 5 en 6: 3 van de 6 uitkomsten, dus 3/6 = 1/2.
Een jachtgroep jaagt zes dagen en gooit precies één keer 1, één keer 2, enzovoort tot 6. Hoeveel rantsoenen vangen ze samen?
Antwoord: 40 rantsoenen
0 + 0 + 0 + 10 + 10 + 20 = 40 (kamp A en C). Bij kamp B is het 50, want de 3 is daar ook raak.
Zo reken je uit wat jagen gemiddeld oplevert, zonder het woord gemiddelde te gebruiken.
Twee werkers kunnen ook zes dagen gaan vissen. Wie heeft gelijk, Ree of Hazel? Wat levert gemiddeld meer op?
Tip: Reken eerst uit hoeveel twee vissers in zes dagen vangen.
A Jagen
B Vissen
C Ze leveren evenveel op
Antwoord: A (Jagen)
Vissen: 2 × 3 × 6 = 36. Jagen gemiddeld 40. Jagen levert gemiddeld iets meer op, maar je weet nooit wat je krijgt.
Nu ga je spelen. Na de verhuizing is er bijna niets over: de clan begint met 5 rantsoenen in de voorraad. Gooi aan het begin van elke dag voor een gebeurtenis. Kies dan wie wat doet, gooi voor elke jachtgroep en houd alles bij in je kampboek.
Komt de voorraad onder de 0? Dan heeft de clan honger. De dag erna kunnen maar drie werkers werken.
Kies je plan voor de zomer, voordat je gaat spelen.
A Veel jagen
B Een beetje jagen, vooral verzamelen en vissen
C Niet jagen
Geen vast antwoord
Geen goed of fout antwoord. Na het spel kijkt de leerling terug of het plan werkte, en of hij zich eraan hield toen de voorraad laag werd.
Kampboek: speel tien zomerdagen. Kruis eerst je kamp aan. Leg je pion op de voorraad en je werkers en kinderen op het spelbord, en schrijf elke dag op.
Elke leerling speelt een eigen spel. Elke rij in het logboek moet kloppen met de spelregels; het voorbeeldspel in de handleiding is één mogelijk spel.
Zo speelt een leerling met deze strategie, met echte worpen. Probeer een paar spellen om te zien of de spelregels doen wat ze moeten doen.
De clan begint met maar 5 rantsoenen, zodat pech bij het jagen echt honger kan geven: wie alles op jagen zet, heeft gemiddeld iets meer, maar ongeveer één op de zeven keer honger. Wie nooit jaagt, heeft nooit honger. Dat verschil is het gesprek na dit deel.
Een rekenfout telt maar op één dag: elke rij wordt nagerekend vanaf de vorige.
Echte jagers deelden hun vangst met de hele clan, ook als zij zelf het hert hadden gevangen. Waarom was dat slim? Gebruik wat je in het spel hebt gemerkt.
Geen vast antwoord
De herfst duurt 30 dagen. Het is de tijd van de hazelnoten: ze zijn voedzaam en je kunt ze roosteren, dan blijven ze maanden goed. In de herfst verzamelt elke werker 4 rantsoenen per dag. Twee kinderen samen verzamelen weer evenveel als één werker.
Hoeveel rantsoenen heeft de clan nodig voor de hele winter van 90 dagen?
Antwoord: 1.080 rantsoenen
12 × 90 = 1.080 rantsoenen.
Hoeveel rantsoenen moet de clan dan elke herfstdag opslaan?
Antwoord: 36 rantsoenen
1.080 : 30 = 36 rantsoenen per dag.
Alle werkers en alle kinderen verzamelen hazelnoten. Hoeveel rantsoenen verzamelen ze per dag?
Antwoord: 32 rantsoenen
6 × 4 = 24, plus 4 kinderen als 2 werkers: 2 × 4 = 8. Samen 32.
Ze eten in de herfst zelf ook 12 rantsoenen per dag. Hoeveel kunnen ze per dag opslaan?
Antwoord: 20 rantsoenen
32 − 12 = 20.
Hoeveel rantsoenen komen ze per dag tekort?
Antwoord: 16 rantsoenen
36 − 20 = 16 per dag.
Welk deel van de wintervoorraad hebben ze na 30 dagen hazelnoten verzamelen?
Tip: Reken eerst uit hoeveel ze in 30 dagen opslaan.
Antwoord: 5/9 (gelijkwaardige breuken goed)
600/1080 en andere gelijkwaardige breuken zijn ook goed. Iets meer dan de helft.
Kamp A? Gooi nu eerst één keer. Bij een 1 is de rivier overstroomd: de clan verliest 100 rantsoenen. Zet dat ook in je plan.
Maak een plan waarmee de clan de winter doorkomt. Schrijf elke maatregel op, met wat hij per dag oplevert, hoeveel dagen, en het totaal.
Een mogelijke oplossing:
Waarom is dit volgens jou het beste plan? Wat is het risico van jouw plan?
Geen vast antwoord
Iemand die slaapt, heeft een plek van 1 bij 2 meter nodig.
Teken de vloer van de hut als een cirkel op het rooster. Twee vakjes zijn 1 meter.
Tip: Gebruik een passer. De cirkel is 8 vakjes breed.
Geen vast antwoord
Tel de vakjes in je cirkel. Hoeveel vierkante meter is de vloer ongeveer? Rond af op hele vierkante meters.
Tip: Vier vakjes zijn samen 1 vierkante meter. Tel twee halve vakjes als één heel.
Antwoord: 13 ± 2 m²
Ongeveer 50 vakjes, dat is ongeveer 12,5 m². Alles van 11 tot 15 m² is goed gerekend.
Hoeveel mensen kunnen er ongeveer in één hut slapen?
Antwoord: 6 ± 1 mensen
Ongeveer 12,5 : 2 = 6 mensen. 5 tot 7 is goed, afhankelijk van de schatting bij de vorige vraag.
Hoeveel hutten heeft de clan van twaalf nodig?
Antwoord: 2 hutten
Bij een schatting van 5 per hut zijn 3 hutten ook verdedigbaar. Kijk naar de redenering.
Een hut van 8 meter breed in plaats van 4 meter. Hoeveel keer zo groot wordt de vloer?
Tip: Teken een vierkant van 2 bij 2 vakjes en een van 4 bij 4. Hoeveel kleine passen in de grote?
A 2 keer zo groot
B 4 keer zo groot
C 8 keer zo groot
Antwoord: B (4 keer zo groot)
De hut wordt twee keer zo breed én twee keer zo diep: 2 × 2 = 4 keer zo groot. Ongeveer 200 vakjes, 50 m²: plek voor 25 mensen. Ree heeft dus geen gelijk met 'precies': de hut is veel te groot. Dat kost veel meer hout, riet en huiden, en een groot vuur om hem warm te houden.
In welke volgorde maak je een harpoen? Schrijf de letters in de goede volgorde op je antwoordblad.
A De punt glad schuren met een stuk zandsteen
B De punt vastbinden aan een houten stok, met pees en berkenpek als lijm
C Een stuk gewei van een edelhert zoeken
D Een lange splinter uit het gewei krassen
E De weerhaken uitsnijden met een mes van vuursteen
Antwoord: C › D › E › A › B (ook goed: C › D › A › E › B)
Spring 3.000 jaar vooruit. De Snoekclan bestaat nog. Het zijn de kinderen van de kinderen van de kinderen... van jouw clan. De namen Wilg, Bever, Ree en Hazel zijn steeds doorgegeven. Ze trekken nog steeds rond. Maar er is iets nieuws.
Een generatie is ongeveer 25 jaar. Hoeveel generaties zitten er tussen de eerste Snoekclan en de clan van nu?
Antwoord: 120 generaties
3.000 : 25 = 120. Of: in 100 jaar passen 4 generaties, dus 30 × 4 = 120.
De clan heeft 10 huiden. Ze ruilen 2 potten, en voor de rest van de huiden nemen ze graan. Hoeveel zakken graan krijgen ze?
Antwoord: 2 zakken
Hoeveel zakken graan heeft de clan van twaalf nodig voor een hele winter van 90 dagen?
Tip: Hoeveel rantsoenen waren dat ook alweer, in de herfst?
Antwoord: 54 zakken
12 × 90 = 1.080 rantsoenen. 1.080 : 20 = 54 zakken.
Hoeveel huiden moet de clan daarvoor ruilen?
Antwoord: 108 huiden
54 × 2 = 108 huiden. Elke huid is een gevangen dier.
Zet argumenten op een rij. Gebruik wat je dit jaar met de Snoekclan hebt meegemaakt, en de getallen van hierboven.
Geen vast antwoord
Bijvoorbeeld. Ruilen: graan blijft goed, potten, geen gewonden. Vechten: het bos en het wild blijven van ons, te weinig huiden voor al dat graan.
Houd een debat bij het kampvuur, met een klasgenoot of je juf of meester. Eén van jullie is Ree, de ander Hazel. Elk krijgt twee minuten. Wissel daarna van rol.
Vraag na afloop welk argument van de ander het sterkst was.
Wat raad jij de Snoekclan aan?
A Ruilen met de boeren
B Vechten voor het bos
C Wegtrekken naar een ander gebied
D Zelf ook een beetje boer worden
Geen vast antwoord
Geen goed of fout antwoord. Het gaat om de onderbouwing in de toespraak.
Schrijf de toespraak die jij bij het kampvuur houdt. Begin met je keuze. Geef twee argumenten, noem een tegenargument en zeg waarom je toch bij je keuze blijft. Eindig met een zin die de clan onthoudt.
Geen vast antwoord