Hoeveel visjes krijgt elke pinguïn?
Antwoord: 4
Hoeveel visjes krijgt elke pinguïn?
Antwoord: 4
Hoeveel bakjes vult Fenna met 20 wortels?
Antwoord: 4
Hier zoek je niet hoeveel er in een bakje gaat (dat weet je al: 5), maar hoeveel bakjes het worden. De som is 20 : 5 = 4.
Bij de pinguïns en bij de konijnen is het antwoord 4. Wat is het verschil?
A Bij de pinguïns zoek je hoeveel ieder krijgt, bij de konijnen hoeveel bakjes het worden
B Bij de pinguïns is het een keersom, bij de konijnen een deelsom
C Er is geen verschil
Antwoord: A (Bij de pinguïns zoek je hoeveel ieder krijgt, bij de konijnen hoeveel bakjes het worden)
Bij eerlijk verdelen weet je hoeveel dieren er zijn. Bij bakjes vullen weet je hoeveel er in één bakje gaat. Allebei schrijf je als deelsom: 12 : 3 = 4 en 20 : 5 = 4.
Schrijf bij elke regel van het voerbriefje de deelsom en het antwoord. Zet erachter: V (eerlijk verdelen) of B (bakjes vullen).
Reken 15 : 3 uit op twee manieren. Deel eerst uit (3 bananen per ronde, hoeveel rondes?). Denk daarna aan een keersom: ? × 3 = 15.
Antwoord: 5 (2 manieren)
Uitdelen kost hier vijf rondes. Wie de tafel van 3 kent, is met de keersom in één stap klaar. Juist dat verschil moet de leerling hier zelf merken.
Kijk naar de wortels. Je ziet 4 rijen van 5, dus 4 × 5 = 20. Maar je ziet ook 5 × 4 = 20, 20 : 4 = 5 en 20 : 5 = 4. Dat is een sommenfamilie: vier sommen bij één plaatje.
Maak de sommenfamilies af. Schrijf bij elke keersom de andere drie sommen.
Fenna heeft 35 vissen voor 5 zeehonden. Welke keersom helpt je?
A 7 × 5 = 35
B 5 + 30 = 35
C 35 − 5 = 30
Antwoord: A (7 × 5 = 35)
Hoeveel vissen krijgt elke zeehond?
Antwoord: 7
24 brokjes voor geiten, 3 in elk bakje. Reken 24 : 3 uit op twee manieren.
Antwoord: 8 (2 manieren)
Tellen in stappen van 3 kost acht stappen en is foutgevoelig. Een leerling die de tafel van 3 nog niet vlot kent, mag tellen; vraag dan welke stappen hij of zij al uit het hoofd wist.
Twee sommen op het briefje van de stagiair zijn fout. Welke sommen kloppen niet?
A De eerste en de derde
B De eerste en de tweede
C De tweede en de derde
Antwoord: A (De eerste en de derde)
9 × 5 = 45, niet 40: 40 : 5 = 8. En 8 × 3 = 24, niet 27: 27 : 3 = 9. De tweede som klopt.
De stagiair gebruikt de goede manier, maar kent de keersom niet goed. Laat de leerling de keersom nakijken met de tafel.
Schrijf de twee foute sommen goed op, met de keersom erachter.
40 : 5 = 8, want 8 × 5 = 40. 27 : 3 = 9, want 9 × 3 = 27.
Hoeveel appels krijgt elke olifant? Halveer 32, en halveer dan nog een keer.
Antwoord: 8
Waarom mag je bij delen door 4 twee keer halveren?
A Omdat 4 hetzelfde is als 2 groepjes van 2
B Omdat 4 een even getal is
C Omdat je bij delen altijd mag halveren
Antwoord: A (Omdat 4 hetzelfde is als 2 groepjes van 2)
B klinkt goed, maar bij : 6 werkt twee keer halveren niet, terwijl 6 ook even is. Het gaat erom dat 4 = 2 × 2.
Reken uit met de truc van Fenna: 40 : 5
Tip: Hoeveel is 40 : 10? Neem daarvan het dubbele.
Antwoord: 8
40 : 10 = 4, het dubbele is 8. Controle: 8 × 5 = 40.
Reken 50 : 5 uit op twee manieren.
Antwoord: 10 (2 manieren)
Welke manier is het handigst? Schrijf erbij: H (halveren), T (via de tafel van 10) of K (keersom die je al weet). Reken ook uit.
Maak het voerschema. Schrijf bij elk dier de deelsom, hoeveel ieder dier krijgt, en welke manier je gebruikte.
Fenna's collega wil het zeker weten. Hoe controleer je met een keersom dat 36 : 4 = 9 klopt?
A 9 × 4 = 36
B 36 − 4 = 32
C 9 + 4 = 13
Antwoord: A (9 × 4 = 36)
Schrijf jouw voerregel. Wanneer halveer je? Wanneer gebruik je de tafel van 10? Wanneer denk je aan een keersom? Geef bij elke manier een voorbeeld.
Geen vast antwoord
Bedenk twee voerverhalen voor een klasgenoot: één over eerlijk verdelen en één over bakjes vullen. Schrijf de deelsom en het antwoord erbij.
Geen vast antwoord
Laat een klasgenoot de verhalen oplossen en zeggen welke soort het is. Kwam dat overeen met de bedoeling van de maker?