Hoeveel vakjes heeft het blauwe stuk?
Antwoord: 60
Uitwerking
6 rijen van 10: 6 × 10 = 60.
Hoe weet de machine dat het mag? Kijk naar de rechthoek. Hij heeft 6 rijen van 14 vakjes. De machine zaagt hem bij de 10 door.
Hoeveel vakjes heeft het blauwe stuk?
Antwoord: 60
6 rijen van 10: 6 × 10 = 60.
Hoeveel vakjes heeft het oranje stuk?
Antwoord: 24
6 rijen van 4: 6 × 4 = 24.
Hoeveel is 6 × 14?
Antwoord: 84
60 + 24 = 84.
Je kunt ook op een andere plek zagen. Bijvoorbeeld precies in het midden.
Reken 6 × 14 uit op twee manieren. Welke vond je het handigst?
Antwoord: 84 (2 manieren)
Wat doet machine B fout?
A Hij zaagt op de verkeerde plek
B Hij vergeet dat het oranje stuk 6 rijen van 4 is
C Hij moet 60 − 4 doen
D Hij doet niets fout
Antwoord: B (Hij vergeet dat het oranje stuk 6 rijen van 4 is)
Reken 8 × 13 uit op twee manieren. Kies zelf waar je zaagt.
Antwoord: 104 (2 manieren)
Ook goed is 8 × 13 = 8 × 12 + 8 = 96 + 8. Kijk vooral of beide manieren echt verschillen, en niet twee keer hetzelfde zijn.
Hoeveel is 7 × 16?
Antwoord: 112
7 × 10 = 70, 7 × 5 = 35, 7 × 1 = 7. Samen 112.
Waar zaag je 7 × 12 het handigst?
A 7 × 10 + 7 × 2
B 7 × 9 + 7 × 3
C 7 × 11 + 7 × 1
D 7 × 8 + 7 × 4
Antwoord: A (7 × 10 + 7 × 2)
7 × 10 = 70 en 7 × 2 = 14: samen 84. Twee sommen die je meteen weet.
B, C en D geven ook 84, maar 7 × 9 of 7 × 11 is lastiger. Vraag waarom A het makkelijkst is.
Reken 4 × 25 uit op twee manieren. Welke vond je het handigst?
Antwoord: 100 (2 manieren)
Reken 9 × 15 uit met de eraf-zaag: eerst 10 × 15, dan haal je er één keer 15 af.
Antwoord: 135
10 × 15 = 150. 150 − 15 = 135.
Reken 5 × 18 uit op twee manieren. Welke vond je het handigst?
Antwoord: 90 (2 manieren)
De wisselaar werkt omdat de rechthoek even groot blijft als je hem half zo hoog en twee keer zo breed maakt. Laat de leerling dat tekenen als hij het niet gelooft.
Bij welke sommen gebruik jij liever de eraf-zaag? Geef twee voorbeelden en leg uit waarom.
Sommen met een getal net onder een rond getal, zoals 9, 19, 29 of 99. Bijvoorbeeld 6 × 19 = 6 × 20 − 6 en 9 × 12 = 10 × 12 − 12.
Hoeveel is 25 × 12?
Antwoord: 300
Wisselaar: 25 × 12 = 50 × 6 = 100 × 3 = 300. Of zagen: 25 × 10 + 25 × 2 = 250 + 50.
De machine zaagt 84 in 60 en 24, twee getallen die in de tafel van 6 staan.
Hoeveel is 60 gedeeld door 6?
Antwoord: 10
Hoeveel is 24 gedeeld door 6?
Antwoord: 4
Hoeveel is 84 gedeeld door 6?
Antwoord: 14
10 + 4 = 14. Controle: 6 × 14 = 84, zoals in deel 1.
Reken 96 gedeeld door 8 uit op twee manieren. Welke vond je het handigst?
Antwoord: 12 (2 manieren)
Halveren werkt omdat 8 = 2 × 2 × 2. Een leerling die dat zelf ziet, mag het uitleggen.
Je wilt 72 gedeeld door 6 uitrekenen. Welke zaag werkt? Kies alle goede.
A 70 en 2
B 60 en 12
C 50 en 22
D 36 en 36
Antwoord: B (60 en 12), D (36 en 36)
Beide stukken moeten in de tafel van 6 staan. 60 : 6 = 10 en 12 : 6 = 2, samen 12. Of 36 : 6 = 6, twee keer: 12.
Hoeveel is 91 gedeeld door 7 echt?
Tip: Hoeveel is 7 × 12? Hoeveel scheelt dat met 91?
Antwoord: 13
7 × 12 = 84, dat is 7 te weinig. Dus één rij meer: 7 × 13 = 91.
Leg uit hoe de fabriek vooruit en de fabriek achteruit bij elkaar horen.
Vooruit ken je de twee zijden en zoek je hoeveel vakjes het zijn. Achteruit ken je het aantal vakjes en één zijde, en zoek je de andere. Met de keersom controleer je de deelsom.
Hoeveel is 156 gedeeld door 12?
Antwoord: 13
156 = 120 + 36. 120 : 12 = 10 en 36 : 12 = 3. Samen 13.
Teken de rechthoek van jouw som op de ruitjes. Zet de zaag erin en schrijf bij elk stuk hoeveel vakjes het is.
Een rechthoek met de juiste zijden, een zaaglijn op een handige plek (vaak bij de 10), en bij elk stuk de goede keersom en uitkomst.
Schrijf je som op en de stappen van je machine. Zeg waarom je daar zaagt.
Geen vast antwoord
Maak een terugwerkkaart voor een klasgenoot. Schrijf een deelsom op, de zaag die helpt, en het antwoord.
Bijvoorbeeld: 78 gedeeld door 6. Zaag: 60 en 18. Antwoord 13.
Wat doet jouw machine met 9?
Eerst keer 10, dan het getal eraf: 9 × 23 = 230 − 23 = 207.