Wat is het antwoord van alle drie?
Antwoord: 13
Wat is het antwoord van alle drie?
Antwoord: 13
Wie maakt eerst de 10 vol?
A Bo
B Fenna
C Ravi
Antwoord: B (Fenna)
Wie gebruikt een som die hij al weet?
A Bo
B Fenna
C Ravi
Antwoord: C (Ravi)
Ravi kent 6 + 6 uit zijn hoofd en leidt 6 + 7 daaruit af. Dat heet een afgeleide som.
Hoeveel sprongetjes maakt Bo?
Antwoord: 7
Wie heeft de minste stappen nodig?
A Bo
B Fenna
C Ravi
D Fenna en Ravi evenveel
Antwoord: D (Fenna en Ravi evenveel)
Fenna en Ravi hebben elk twee stappen (6 + 4, dan + 3; of 6 + 6, dan + 1). Bo heeft er zeven.
Welke manier is briefje A?
A Tellen, zoals Bo
B Via 10, zoals Fenna
C Dubbelen, zoals Ravi
Antwoord: B (Via 10, zoals Fenna)
Welke manier is briefje B?
A Tellen, zoals Bo
B Via 10, zoals Fenna
C Dubbelen, zoals Ravi
Antwoord: C (Dubbelen, zoals Ravi)
Welke manier is briefje C?
A Tellen, zoals Bo
B Via 10, zoals Fenna
C Dubbelen, zoals Ravi
Antwoord: A (Tellen, zoals Bo)
Welke manier is briefje D?
A Tellen, zoals Bo
B Via 10, zoals Fenna
C Dubbelen, zoals Ravi
Antwoord: C (Dubbelen, zoals Ravi)
Ook goed te zien als 9 + 9 = 18, 1 eraf. Vraag de leerling of dat ook kan.
Wat doet Bo fout?
A Hij telt de 8 mee
B Hij telt te ver door
C Hij moet via 10 rekenen
Antwoord: A (Hij telt de 8 mee)
Bo begint met tellen bij 8. Maar de 8 heb je al. Je begint bij 9.
Wat is 8 + 4 echt?
Antwoord: 12
Wat doet Fenna fout?
Tip: Hoeveel van de 5 heeft ze al gebruikt?
A 7 + 3 is geen 10
B Na de 3 is er nog 2 over, niet 3
C Ze moet beginnen bij de 5
Antwoord: B (Na de 3 is er nog 2 over, niet 3)
5 = 3 + 2. Na 7 + 3 = 10 is er nog 2 over: 10 + 2 = 12.
Wat is 7 + 5 echt?
Antwoord: 12
Reken 9 + 6 uit. Eerst zoals Bo, dan zoals Fenna.
Antwoord: 15 (2 manieren)
Reken 7 + 8 uit. Eerst via 10, dan met dubbelen.
Antwoord: 15 (2 manieren)
Ook goed: 8 + 2 = 10, 10 + 5 = 15; of 8 + 8 = 16, 1 eraf.
Bij welke som is tellen wél handig?
A 12 + 2
B 9 + 8
C 6 + 7
Antwoord: A (12 + 2)
Bij + 2 tel je maar twee stapjes. Bij 9 + 8 en 6 + 7 worden het er veel.
Ravi zegt "Dubbelen werkt altijd." Bij welke som werkt dat niet goed?
A 6 + 7
B 8 + 9
C 3 + 9
Antwoord: C (3 + 9)
3 en 9 liggen ver uit elkaar. Dan is er geen dubbel dichtbij. Handig is 9 + 1 + 2, of doortellen vanaf 9.
Reken 8 + 6 uit op jouw handigste manier. Laat je stappen zien.
Antwoord: 14
Ook goed: 6 + 6 = 12, + 2 = 14; of 7 + 7 = 14 (1 van de 8 naar de 6).
Fenna haalt de 5 in twee stukken weg. Welke stukken?
A 3 en 2
B 5 en 0
C 4 en 1
Antwoord: A (3 en 2)
Eerst 3, dan is ze precies op 10. Dan nog 2.
Reken 14 − 6 uit. Eerst terugtellen, dan terug via 10.
Antwoord: 8 (2 manieren)
Hoeveel is 12 − 6?
Antwoord: 6
Welke dubbel helpt bij 16 − 8?
A 8 + 8 = 16
B 6 + 6 = 12
C 16 + 16 = 32
Antwoord: A (8 + 8 = 16)
Er zit een fout in. Wat is 15 − 7 echt?
Tip: Hoeveel van de 7 is al weg na 15 − 5?
Antwoord: 8
7 = 5 + 2. Na 15 − 5 = 10 moet er nog 2 af: 10 − 2 = 8.
Kies een plussom of minsom tot 20. Schrijf hem op.
Geen vast antwoord
Een som met een sprong over de 10 maakt het spannender (zoals 8 + 6 of 13 − 5).
Schrijf je briefje. Laat elke stap zien.
Geen vast antwoord
Welke manier gebruikte jij?
A Tellen
B Via 10
C Dubbelen
D Een andere manier
Geen vast antwoord
Niet goed of fout. Vergelijk met het briefje.
Geef je briefje aan een klasgenoot. Laat hem of haar raden welke manier je gebruikte.
Raadde je klasgenoot het goed?
A Ja
B Nee
Geen vast antwoord
Wat zou je de volgende keer anders opschrijven?
Geen vast antwoord